Nieuws

Pluimvee op 100% biologisch voer

Gepubliceerd op
14 september 2010

Stapsgewijs gaat het percentage biologische grondstoffen in het pluimveerantsoen omhoog. Vanuit de Demeter normen ligt de lat al op 100%, maar meerdere legpluimveehouders hebben problemen met de kwaliteit en samenstelling van het 100% biovoer. Dit uit zich in de gezondheid en de productie van de leghennen. Daarom trokken pluimveehouders en opfokkers naar Duitsland om een kijkje te nemen bij onze oosterburen.

Voerleverancier Rudolf Meyer zum Bakum geeft aan dat het voeren van 100%-biovoer goed mogelijk is, maar niet eenvoudig. ‘Het is niet alleen een kwestie van voer, het hele houderijsysteem moet er op afgestemd zijn’. In Noordrijn Westfalen voorziet hij 30.000 hennen van 100%-biovoer, waarvan 8 bedrijven met meer dan 3.000 hennen. In Beieren voorziet een collegavoermenger van Rudolf 80.000 hennen van 100%-biovoer. Op deze bedrijven draait het goed omdat de pluimveehouders naar het hele bedrijfssysteem kunnen en willen kijken. Ze wisselen ervaringen en voortschrijdend inzicht uit. Er zijn echter ook biologische pluimveebedrijven waar 100% biologisch voer niet goed mogelijk is.

Ervaring is dat 100%-biohennen ruim meer voer opnemen, i.p.v. 120 g/hen/dag 150 g/hen/dag of zelfs ietsje meer. Naast een hogere voeropname nemen hennen die 100%-biovoer krijgen veel meer water op (i.p.v. 180-200 ml/hen/dag – 250-300ml hen/dag). Gecombineerd resulteert dit in meer (50-80%) en nattere mest en heeft dit consequenties voor het functioneren van de inrichting van het huisvestingssysteem. Belangrijk is dat alles gedaan wordt om de hennen gedurende de dag zo goed mogelijk over het huisvestingsysteem te verdelen, want dan wordt ook de mest zo goed mogelijk verdeeld. Dit betekent dat binnen de stal het verspreiden van hennen gestimuleerd moet worden (scharrelruimte, etc), maar ook wintergarten en uitloop van essentieel belang zijn.

Uit de bezoeken en presentatie door Friedel Deerberg komen meerdere aandachtspunten naar voren:
  • 100%-biovoer betekent afscheid nemen van de oude/gangbare aanpak en gewoonten. Er moet vanuit het dier gewerkt worden en er is geen formule die gevolgd kan worden om succesvol te zijn (elke dag is een nieuwe uitdaging).
  • 100-biovoer begint met de opfok; 50% van het succes hangt af van of tijdens de opfok de hennen goed zijn opgevoed: 100% biogrondstoffen is wenselijk, maar ze moeten in ieder geval geleerd hebben veel te eten!
  • Er zijn meerdere manieren om opfokhennen veel te laten eten, er zijn ook verschillende rantsoensamenstellingen mogelijk. Wen de hennen aan verschillende manieren, samenstellingen, daar worden ze in hun verdere leven ook mee geconfronteerd!
  • 100%-biovoer is meer dan een oplossing voor het eiwitprobleem
  • Er zijn verschillende manieren om tot 100%-biovoer rantsoenen te komen, eenvoudigste is om in de gangbare receptuur de grondstoffen te vervangen met biogrondstoffen, maar daar gaan we niet mee uitkomen. Biogrondstoffen kenmerken zich qua samenstelling door een grote variatie in voederwaarde (vaak onbekend) en ook de beschikbaarheid is een probleem (continuïteit, kleine partijen).
  • De rekenprogramma’s waar de voerleveranciers mee werken kunnen niet uit de voeten met 100% biologisch voer.
  • 100%-biovoer betekent meer eigen/regionaal voer, hiermee moeten we kritischer zijn ten aanzien van kwaliteitseisen (o.a. ook inzake risico’s consument).
  • 100%-biovoer nooit met een hamermolen maar een kneuzer/pletter voorbewerken, anders wordt het te fijn (voer gaat stoffen).
  • Eiwitgrondstoffen vormen een knelpunt; alternatieven zijn te duur of voorzien onvoldoende in de behoefte; het komt er op neer dat 98% van de eiwitvoorziening in 100% biovoer uit regionaal geteelde granen en vlinderbloemigen moet komen. Dit vereist omschakeling en/of meer gemengde bedrijven.
  • Omlaag brengen van het energie-niveau van het voer maakt het mogelijk dat kippen meer voer opnemen. Alleen zo krijgen ze voldoende van de juiste eiwitten (aminozuren).
  • Omlaag brengen van het vetgehate in het voer kan de ei-grootte in de hand houden. Aan het eind van de leg zijn grote eieren vaak al een probleem (stress, beschadiging van het legkanaal, kalktekort en schaalbreuk).

Klik hier voor het Excursieverslag

Downloads

Meer downloads

Links