Nieuws

Biologische pluimveehouders zetten bedrijfsnetwerk zelf door

Gepubliceerd op
8 oktober 2012

Het symposium ‘ Op eigen kracht’ betekende de afsluiting van het project biologisch bedrijfsnetwerk pluimvee. De sector en bio pluimveehouders lijken sterk genoeg om zelf het netwerk voort te zetten en uit te bouwen. Inmiddels is de biologische legpluimveehouderij sterk gegroeid, tot bijna 10% van de totale eierproductie. Ook kwalitatief zijn er stappen gezet. Maar er blijven voldoende uitdagingen over voor verdere ontwikkeling van de sector.

Het symposium werd geopend door Jaap van Deelen, voorzitter van de Biologische Pluimveehouders Vereniging (BPV). Met name de aanscherping van de regels vraagt om aanpassingen op bedrijfsniveau. Het plaatsen van biologische pluimveemest op biologische grond is al regel. Daarnaast komt ook een verplichting om zelf een deel van het voer (20%) te verbouwen. Eind dit jaar komt het ministerie met een definitie van ‘ regionaal’ zoals in de EU verordening is benoemd. Pluimveebedrijven die zelf weinig grond hebben, moeten gaan samenwerken met biologische telers in de regio. Bij de afzet van pluimveemest speelt de samenstelling en kwaliteit van de mest een belangrijke rol. Hoe meer stikstof ten opzichte van de fosfaat, hoe aantrekkelijker dit is voor de akkerbouwer. De mestwetgeving ofwel fosfaatruimte is een beperking bij de afname van pluimveemest. Volgens Jaap van Deelen zullen pluimveehouders over de grens heen moeten om mest tegen voer uit te ruilen.

Ook aan de samenstelling van het voer worden eisen gesteld. Over enkele jaren mogen uitsluitend biologische grondstoffen worden gebruikt in het pluimveevoer. Op zich geen probleem, maar of hiermee de specifieke eiwit- en aminozuurbehoefte afgedekt kan worden in het rantsoen, wordt betwijfeld. Om voldoende grondstoffen te hebben voor een verantwoorde samenstelling van het voer, zijn alternatieve eiwitbronnen nodig was een conclusie van de werkgroep 100% biovoer. Hier moet de komende jaren qua teelt en toepassing in voer dan wel volop aan gewerkt worden.

Bij diergezondheid kwam het aantal entingen ter discussie. Hebben opfokhennen wel zoveel entingen nodig en kunnen deze niet slimmer worden gecombineerd? Na een enting krijgt het dier een terugslag. De legpluimveehouders hebben deze terugslag liever niet direct na overplaatsingen van de jonge opfokhennen. Een goede spreiding geeft minder stress en een betere start van de legronde. Er was overeenstemming over het feit dat de opfokperiode en legronde nu veel beter op elkaar zijn afgestemd. Dit maakt het goed mogelijk om de leghennen met onbehandelde snavels in een koppel te houden.

Na afloop van het symposium kregen de deelnemers het magazine Biologisch Ondernemen legpluimvee mee naar huis.

Downloads

Meer downloads