Nieuws

Verschillen in de opfok van biologische leghennen tussen Europese landen

Gepubliceerd op
22 mei 2008

Voor het houden van biologische opfokhennen zijn in de EU-regelgeving voor dierlijke productie geen specifieke regels geformuleerd. Dit betekent dat er verschillen kunnen zijn in de invulling van de regels met betrekking tot de opfok in Europa. Voor een aantal aspecten is dit onderzocht in zeven Europese landen; België, Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Oostenrijk en Zwitserland.

In alle landen wordt de EU-norm aangehouden van 90% biologische grondstoffen in veevoer, behalve in Frankrijk waar een norm van 85% geldt. In Duitsland en Frankrijk moet een deel van het voer op het eigen bedrijf geteeld zijn (40-50%), hoewel dat in Duitsland ook van een gecontracteerd BD-akkerbouwbedrijf mag zijn, waarbij voer wordt geruild tegen mest. Het blijkt dat het in alle landen lukt om de mest biologisch af te zetten, daar waar dit in Nederland (gedwongen) gangbaar wordt afgevoerd.

Grote verschillen zijn er als het gaat om het opzetten van gangbare kippen. In Frankrijk worden de hennen gangbaar opgefokt tot 12 weken, terwijl in een Belgiƫ, Denemarken en Zwitserland dit helemaal verboden is. In de overige landen is het onder voorwaarden toegestaan, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit ook wordt gedaan.

Met betrekking tot huisvesting zijn de belangrijkste verschillen te vinden op het gebied van groepsgrootte en de beschikbaarheid van strooisel en zitstokken meteen vanaf het begin.

Uit de inventarisatie blijkt verder dat in sommige landen de vaccinaties tegen NCD en salmonella verplicht zijn, terwijl in Denemarken en Zwitserland de salmonellavaccinatie juist verboden is.

Het onderzoek bestond uit een vragenlijst welke is voorgelegd aan een aantal contacten in de zeven Europese landen.

Klik hier voor de volledige tekst van het rapport 'Opfok van biologische hennen in verschillende Europese landen' door Monique Bestman.