Nieuws

Sporenelementen en bodemweerbaarheid

Gepubliceerd op
30 september 2014

Uit onderzoek van het Louis Bolk Instituut, PPO Lelystad en Hortinova naar bodemweerbaarheid tegen Phytophthora cactorum, komt naar voren dat er mogelijke verbanden bestaan tussen bodemweerbaarheid en de aanwezigheid van (sporen)elementen in de bodem.

In het onderzoek zijn op 5 aardbeienbedrijven goede en slechte percelen geselecteerd. Daarnaast zijn 7 percelen geselecteerd van meerjarige proeven (proefveld Bodemgezondheid en Bodemkwaliteit op Zand) op de locatie Vredepeel.

De 17 grondmonsters zijn gebruikt voor:

  • Biotoets: Bepaling van bodemweerbaarheid in gesteriliseerde en ongesteriliseerde grond, waarbij de grond kunstmatig is ge├»nfecteerd met Phytophthora cactorum, waarna de ziekte-ontwikkeling in aardbei werd gevolgd
  • Bakkenproef: Opbrengst van aardbei in bakken, zonder infectie met Phytophthora
  • Analyse van bodemparameters en bladanalyses 

In de biotoets werd een correlatie gevonden tussen de bodemweerbaarheid van de gronden en de gehalten aan kalium, calcium, magnesium, zwavel en borium in de grond. De bodemweerbaarheid vertoonde een lichte positieve correlatie met de hoeveelheid beschikbare K en de Ca/Mg verhouding in de bodem, en een negatieve correlatie met het percentage Mg in het kationen-complex.

Ziektewering in gesteriliseerde gronden

Om het belang van de chemische en fysische component in de bodemweerbaarheid te bepalen, is ook de ziektewering in gesteriliseerde gronden gemeten. In gesteriliseerde grond werd een negatieve correlatie met de hoeveelheid beschikbare Mg gevonden: hogere magnesiumgehaltes waren gerelateerd aan een slechtere weerbaarheid. Magnesium en zwavel gaven samen een goede voorspelling van de bodemweerbaarheid (R2adj  0.61). Daarbij was de correlatie met zwavel positief: hogere zwavelgehaltes waren gerelateerd aan een betere weerbaarheid.

Gesteriliseerde en niet-gesteriliseerde grond

Daarnaast is gekeken naar het verschil in weerbaarheid tussen gesteriliseerde en niet-gesteriliseerde grond. Dit is een indicatie voor het aandeel van de biologische component van de bodem in de bodemweerbaarheid. Het aandeel van de biologische component in de bodemweerbaarheid nam af bij een toename van zwavel in de bodem (R2adj  0.45). Dus: bij lagere zwavelgehaltes in de bodem heeft het bodemleven een grotere bijdrage aan de ziektewerende eigenschappen van de grond dan bij hogere zwavelgehaltes.

Het effect van borium op ziektewering, dat in eerdere proeven van het Louis Bolk Instituut werd gevonden, werd in deze proeven niet bevestigd.

Bodemparameters

In de bakkenproef is de relatie onderzocht tussen bodemparameters, bladanalyses  en de opbrengst van aardbei in afwezigheid van Phytophthora. De belangrijkste bodemparameters, die een correlatie laten zien met de opbrengst, zijn de hoeveelheid stikstof in de bodem en het aantal plant-pathogene aaltjes. Een hogere opbrengst was gecorreleerd aan minder stikstof en minder plant-pathogene aaltjes. Op de Vredepeel-percelen speelde daarbij met name Pratylenchus penetrans een rol, op de praktijkbedrijven ook Meloidogyne. In de proef werd geen relatie gevonden tussen de in de kas gemeten bodemweerbaarheid tegen Phytophthora en de opbrengst in de bakkenproef in afwezigheid van Phytophthora.

Dit project is gefinancierd vanuit het EZ onderzoeksprogramma Duurzame Bodem en vanuit de stuurgroep LIB (Landbouw Innovatie Noord-Brabant).

Meer informatie

Dit bericht en veel meer vindt u in de Nieuwsbrief Bodemacademie (van Louis Bolk Instituut en CLM)

Contact