Nieuws

Schade door preimineervlieg in 2013 in Vlaanderen alarmerend

Gepubliceerd op
19 maart 2014

De preimineervlieg Phytomyza gymnostoma wordt sedert de jaren ‘80 als plaaginsect van prei, ui- en lookgewassen gesignaleerd in verschillende Europese landen. In Vlaanderen werden de eerste aantastingen door preimineervlieg vermoedelijk vastgesteld in 2007 in amateurtuinen. De laatste jaren ondervinden ook preitelers ten zuiden van de Schelde schade.

De oogstresultaten van prei, najaar 2013 maken duidelijk dat de plaag zich verder uitbreidt over heel Vlaanderen.

De preimineervlieg heeft twee generaties per jaar, één in het voorjaar en één in het najaar. Na hun overwintering als pop, verschijnen vanaf april tot eind mei de eerste vliegen. Ze leggen eitjes in de bladoksels van jonge preiplanten of andere planten van de lookfamilie. Larven mineren de bladeren en migreren neerwaarts via de mineergang in het blad naar de preischacht of de bol. Larven van de eerste generatie zijn aanwezig vanaf 2de helft april tot eind mei. Ze verpoppen aan het eind van hun gangen, nabij de bladbasis. Gedurende de zomer gaan deze poppen in diapause, wat betekent dat hun ontwikkeling dan stilligt. Eind augustus – begin september komen de nieuwe vliegen uit die na eiafleg zorgen voor een tweede generatie larven. Het is vooral deze generatie die economische schade teweeg brengt aan late herfst- of winterprei.

De mineergangen in de schacht en de aanwezigheid van larven en poppen in de preiplant zorgen voor een reductie in kwaliteit en marktbaarheid van de prei.
De mineergangen kunnen uitgroeien tot scheuren in de bladeren en zijn gevoelig voor secundaire schimmel- of bacteriële infecties. Bij zware aantasting kan de preimineervlieg de (late) preioogst deels of quasi volledig onverkoopbaar maken en voor veel telers dringt een oplossing zich op.

In 2014 neemt Inagro deze problematiek op in de proefwerking en in de waarschuwingsberichten voor prei. Uiteraard willen we zoeken naar oplossingen om schade door preimineervlieg te voorkomen of te beperken. Hiervoor is in de eerste plaats een goede monitoring tijdens het seizoen nodig. Kennis over de vluchtperioden en detectie van de eerste larvale stadia is essentieel om gewassen te kunnen beschermen tegen de plaag. Naast de monitoring staat ook een proef naar inzetbaarheid en effectiviteit van mogelijke middelen op het proefprogramma van Inagro. Om het probleem goed in kaart te brengen, willen we een oproep doen aan alle telers die de voorbije jaren reeds schade hebben vastgesteld om ons dit te melden.

Bron: CCBT

Contact

Femke Temmerman (Inagro) femke.temmerman@inagro.be