Nieuws

Preventie biggensterfte in biologische kraamhokken

Gepubliceerd op
29 februari 2012

In de zomer van 2009 was de sterfte van pasgeboren biggen volop in het nieuws. Ook de sterfte onder pasgeboren biologische biggen is hoog en staat al een decennium prominent op de onderzoekagenda van de biologische varkenshouderij. Om die sterfte te verminderen heeft Wageningen UR Livestock Research het effect vergeleken van overleggen en hoge/lage uierbezetting. Overgelegde biggen van 12-14 uur oud hadden een hogere overlevingskans, maar groeiden minder. Een hoge uierbezetting gaf geen verschil in sterfte, maar een lagere groei dan een lage uierbezetting.

Biologische zeugen zijn genetisch tot grote worpen in staat, hebben een lang herstel van de baarmoeder en een goede voeropname in het kraamhok, zodat ze bij het spenen gemiddeld in een betere conditie verkeren dan zeugen in de gangbare varkenshouderij. Dit leidt tot grote tomen met biggen die lichter en kwetsbaarder zijn dan in kleine tomen. Bovendien worden grote tomen gemiddeld na een kortere draagtijd geboren, wat het geboortewicht en de vitaliteit niet ten goede komt. In de biologische varkenshouderij is het aantal geboren biggen gemiddeld groter dan het aantal spenen, wat de overlevingskansen voor de lichtere biggen verkleint.

Kraamperiode cruciaal

De kraamperiode van de zeugen is cruciaal, want als de biggen de eerste paar dagen gezond doorkomen, is de kans groot dat ze daarna vlot opgroeien. Omdat welzijn hoog in het vaandel staat van de biologische veehouderij realiseren varkenshouders zich dat ze op dit punt een extra maatschappelijke verplichting hebben. Bovendien is biggensterfte niet alleen een aantasting van het dierenwelzijn, maar ook een financiƫle en mentale belasting voor de varkenshouders.

Huisvesting en bedrijfsvoering

Het onderzoek richtte zich in eerste instantie op de huisvesting. De vorm van het hok en de klimatisering resulteerden in betere omstandigheden, maar niet in minder sterfte. In diezelfde periode steeg namelijk ook het aantal levend geboren biggen, maar daarmee nam ook het geboortegewicht af en nam de kwetsbaarheid van de biggen toe. Dit werd niet verbeterd door voeding en waterverstrekking. De bedrijfsvoering is een andere belangrijke factor in het kraamhok. Het overleggen van biggen om ze zoveel mogelijk gelijke kansen te geven is daarvan een onderdeel.

Wel of niet overleggen?

Daarom is ook gekeken naar het effect van wel of niet overleggen en de grootte van de toom op de overlevingskansen. Op het varkensproefbedrijf in Raalte zijn de biggen van 83 tomen gevolgd. Verrassenderwijs overleefden meer overgelegde biggen dan niet-overgelegde biggen. Mogelijk zijn bij het aselect pakken van de biggen toch onbewust de vitalere biggen gekozen. De groei van de overlegde biggen was, zoals verwacht, lager dan de niet-overgelegde biggen. De biggen uit de tomen met lage uierbezetting hadden een duidelijk hogere groei, maar geen hogere overleving. Mogelijk is bij het maken van de tomen met hoge en lage uierbezetting op de tweede en derde dag het grootste deel van de sterfte al achter de rug.

Indien er meer biggen geboren worden dan er spenen zijn, dan is het advies dat vitale biggen zo snel mogelijk na het opnemen van de biest (12-24 uur na geboorte) worden overgelegd, zodat er net zoveel biggen achterblijven als de zeug spenen heeft.

Downloads

Meer downloads

Links