Nieuws

Maagdarminfecties biologische melkschapen vergelijkbaar met reguliere vleesschapen

Gepubliceerd op
24 juli 2008

Biologische melkschapenhouders hebben in 2007 te maken gehad met vergelijkbare maagdarmwormbesmettingen en als reguliere (vlees-)schapenhouders blijkt uit een onderzoek van de Animal Sciences Group. Beide houderijen hebben te maken met dezelfde soorten maagdarmwormen.

De lammeren van melkschapen kunnen dezelfde wormsoorten tegenkomen en lopen vergelijkbare risico’s als de lammeren van vleesschapen. In het voor- en najaar is alertheid op Nematodirus battus nodig bij jonge lammeren vanwege het risico van besmettingsopbouw met de jaren. Met behulp van de WormenWijzer (www.wormenwijzer.nl) kan de biologische melkschapenhouder behandeladviezen krijgen voor een goede maagdarmwormbeheersing bij de lammeren. De WormenWijzer geeft op elk gewenst moment na beantwoording van een paar vragen een advies op maat. Het minimaliseren van schade door maagdarmwormen en het beperken van de kans op resistentieontwikkeling zijn de uitgangspunten van de adviezen.

In afwijking van de reguliere schapenhouderij waar de ooien voor de maanden juli en augustus worden gespeend, blijven infecties in de lacterende ooien langer in stand. Ze geven qua energiebesteding namelijk prioriteit aan de melkproductie in plaats van aan hun weerstand, het bestrijden van een maagdarmwormbesmetting.

Maagdarmwormbesmettingen worden na spenen of droogzetten versneld afgebouwd. In hoeverre de ooien onder een hoge maagdarmbesmetting gebukt gaan (het productie-effect), blijft een interessante vraag. Gezonde melkschapen lijken vooralsnog goed met een eventuele maagdarwormbesmettingen om te kunnen gaan. Blijf desondanks alert op bleke oogslijmvliezen in juli en augustus. Dit duidt op haemonchose en constatering vereist behandeling.

Meeste risico voor eerstewormsooien

De wormeitellingen in 2007 wijzen uit dat de eersteworpsooien het meeste risico lopen op een hoge maagdarmwormbesmetting. Belangrijke oorzaak hiervoor is de verminderde mogelijkheid om weerstand op te bouwen door geen of onvoldoende weidegang als lam al dan niet in combinatie met te vaak ontwormen. Deze dieren moeten dan hun weerstand tijdens de eerste lactatie nog opbouwen. Ziekte en productieverlies door maagdarmwormbesmettingen bij de eersteworpsooien zijn te verminderen door voldoende weidegang in combinatie met het gecontroleerd oplopen van besmettingen in het eerste levensjaar.

Geen ontwormbehandeling na aflammen

Ontwormen van de ooien in de droogstand na opstallen is net zo effectief als ontwormen vlak na het aflammen omdat ze op stal geen wormbesmetting kunnen oplopen. Deze werkwijze vermijdt ook dat ze bij inscharen in het voorjaar door verminderde weerstand rondom de geboorte grote aantallen wormeieren op de percelen deponeren. Ontworm bij voorkeur twee weken na opstallen, zodat ook de larven van de laatste hap gras worden meegepakt. Ontwormen vlak na aflammen is minder praktisch en kost melk. Er zijn namelijk voor schapen geen wormmiddelen op de Nederlandse markt met een wachttijd van nul dagen. Een biologische schapenhouder mag de melk van de behandelde dieren gedurende het dubbele van de voorschreven wachttijd niet leveren of zelf verkazen. Het gebruik van middelen die niet voor schapen zijn geregistreerd (off label use) is onverstandig in verband met de verhoogde kans op resistentieontwikkeling. Ze vereisen bovendien een minimale wachttijd van 14 dagen bij behandeling van biologische melkschapen.

  • Contact informatie: Jan Verkaik, Wageningen UR Livestock Research