Nieuws

Luzerne of grasklaver in het biologisch bouwplan op zuidoostelijk zand?

Gepubliceerd op
5 maart 2009

In het biologische bedrijfssysteem van Nutriënten Waterproof op zuidoostelijk zand is een vlinderbloemig hoofdgewas in de rotatie opgenomen om extra stikstof in syteem te brengen via luchtstikstofbinding. De vlinderbloemige wordt na de oogst van aardappel gezaaid en vangt daardoor tevens de stikstof op die na de aardapelen achterblijft. Maar welke vlinderbloemige is hiervoor het meest geschikt: luzerne of gras-klaver?

 In het biologische bedrijfssysteem van project NutriĆ«nten Waterproof op proefboerderij Vredepeel (zuidoostelijk zand) vergelijken onderzoekers van PPO de gewassen luzerne en gras-klaver met elkaar in de periode 2005-2007 en 2007-2009. Ze beoordelen hierbij onder meer de geschiktheid voor late zaai (na de aardappeloogst), de drogestofproductie, de vermeerdering van aanwezige probleemaaltjes en het effect op de groei en productie van de volgteelt prei in de biologische rotatie op zandgrond.

Groei en productie

Zowel luzerne als gras-klaver bleek geschikt om nog na de oogst van biologische aardappel te zaaien (in augustus) op zuidoostelijk zand. Qua gewasgroei en drogestofproductie in het tweede en derde jaar was er gemiddeld genomen nauwelijks verschil tussen de beide gewassen. Maar om meer zekerheid hierover te krijgen, zou de vergelijking minstens nog een keer moeten worden herhaald.

De gewasresten van luzerne bleken bij het planten van een volgteelt groente meer hinder te geven dan die van gras-klaver.

Effecten op aaltjesbesmetting

Voorkomende probleemaaltjes op het betreffende perceel waren met name Meloidogyne hapla en Trichodoriden. Bij gras-klaver leken zowel Meloidogyne hapla als Trichodoriden zich minder sterk te vermeerderen dan bij luzerne, maar de verschillen tussen beide gewassen waren statistisch niet betrouwbaar.

Het inwerktijdstip van de luzerne, in dit geval de lengte van de braakperiode tot aan het planttijdstip van de prei, leek effect te hebben op de afname van de M. hapla-besmetting. De afname van de besmetting bij een braakperiode van drie tot zes weken leek beperkt, terwijl na een braakperiode van acht weken de M. hapla-besmetting (veel) lager was. Harde conclusies kunnen echter niet worden getrokken.

Gevoeligheid prei voor aaltjes

In dit onderzoek bleek prei ongevoelig voor schade door Meloidogyne hapla. Zelfs zeer zware besmettingen leken niet of nauwelijks effect te hebben op de preiopbrengst. Prei bleek wel vrij gevoelig voor Trichodoride-aaltjes. In zowel de herfst- als de winterteelt van prei leek er een (sterke) relatie aanwezig te zijn tussen de mate van Trichodoride-besmetting en de opbrengst.

De gewasgroei van prei na gras-klaver was beter dan na luzerne en de veilbare opbrengst van de prei was bijna 40% (ongeveer 7,5 ton/ha) hoger. Dit verschil in groei en opbrengst is waarschijnlijk grotendeels het gevolg van de hogere Trichodoride-besmetting na de luzerne.

Klik hier voor de volledige tekst van het rapport  'Vergelijking van luzerne en gras-klaver, inclusief effect op aanwezige aaltjes en de volgteelt prei' door Van Geel, Visser, Verstegen en De Haan.door Van Geel, Visser, Verstegen en De Haan.