Nieuws

Lage krachtvoergiften en diergezondheid in de biologische melkveehouderij

Gepubliceerd op
2 oktober 2009

Op biologische bedrijven met weinig krachtvoer in het rantsoen is de melkproductie lager en het aandeel melktypische rassen iets lager dan op andere biologische melkveebedrijven. Er is geen verschil in gezondheid. Wel mag in de bedrijfsvoering van bedrijven die een lage krachtvoergift toepassen meer aandacht komen voor vruchtbaarheid in relatie tot een korte tussenkalftijd. Dat blijkt uit onderzoek van Wageningen UR Livestock Research.

Meer weidegras in rantsoen

Op bedrijven die weinig krachtvoer voeren (minder dan 12 kg per 100 kg melk) is de melkproductie ongeveer 750 kg melk per lactatie lager dan op bedrijven met een hogere krachtvoergift. Op deze ‘laag-krachtvoerbedrijven’ kalven meer koeien af in de maanden januari tot en met april. Hierdoor wordt er relatief meer melk geproduceerd op basis van weidegras. Weidegras heeft een hogere voederwaarde dan geconserveerd ruwvoer en past daarom beter in een systeem met lage krachtvoergiften. De winning van kwalitatief goede grassilage behoeft daarbij meer aandacht: kuilen zijn droog (broeigevoelig) met soms hoge ammoniakfractie (verlies eiwit).

Lager vetgehalte

Op bedrijven met een lage krachtvoergift hebben de koeien zomers gemiddeld een lager vetgehalte, mogelijk te verklaren door het grotere aandeel weidegras in het rantsoen. Weidegras is rijker aan meervoudig onverzadigde vetzuren dan geconserveerd voer of krachtvoer. Een hoge opname aan meervoudig onverzadigbare vetzuren kan de vorming van melkvet in de uier afremmen, waardoor er een verhoogde kans is op een laag melkvetgehalte.

Persistentere lactatiecurve

De koeien met een lage krachtvoergift laten een persistentere lactatiecurve zien: de piekproductie is minder hoog dan op andere biologische bedrijven. De conditiescore van koeien die een lage krachtvoergift krijgen is gemiddeld zelfs iets beter dan van koeien met een hogere krachtvoergift. De laag-krachtvoerbedrijven fokken of selecteren meer op koeien met een persistentere lactatiecurve en op koeien die minder reserves mobiliseren. Het aandeel van andere rassen is dan ook iets hoger op bedrijven met een lage krachtvoergift; toch komt Holstein Friesian ook hier nog steeds het meest voor.

Geen verschil in gezondheid

De gezondheid van het jong- en melkvee op bedrijven met een lage krachtvoergift verschilt niet van die op andere biologische bedrijven. Ziekten die geassocieerd kunnen worden met de voeding (stofwisselingsziekten) komen niet vaker voor. Veehouders geven aan dat klauwproblemen het grootste knelpunt zijn.
De vruchtbaarheid van het melkvee op bedrijven met een lage krachtvoergift is niet beter dan die op andere biologische bedrijven (met een hogere productie). De tussenkalftijd is iets meer dan 400 dagen, maar voor een productiesysteem gebaseerd op veel weidegras zou een tussenkalftijd van 365 dagen ideaal zijn. Hiervoor is in de bedrijfsvoering extra aandacht nodig.

Biologische melkveehouders kiezen soms bewust voor een bedrijfsstrategie gebaseerd op een zo laag mogelijke krachtvoergift. De redenen variëren van bezorgdheid over het wereldwijde transport van veevoergrondstoffen, de voedselconcurrentie tussen mens en dier tot puur economische redenen.

Klik hier voor het volledige rapport "Lage krachtvoorgiften en diergezondheid in de biologische melkveehouderij".