Nieuws

Knobbelaaltjes zijn niet geheel uit te bannen

Gepubliceerd op
27 augustus 2009

Binnen de intensieve biologische glastuinbouw staat de strijd tegen wortelknobbelaaltjes nog hoog op de agenda. Het enten van productierassen op ongevoelige of tolerante onderstammen biedt gedeeltelijk uitkomst. Naast onderzoeken in de proefkas staan er onderstammen op praktijkbedrijven.

Op de glastuinbouwbedrijven komen vooral drie soorten aaltjes voor: Meloidogyne incognita, M. hapla en M. javanica. Aaltjes komen vaak pleksgewijs voor en bij hoge populaties ondervindt het gewas schade. Volgens onderzoeker Jan Janse komt volledige resistentie niet voor: “resistentiemechanismen kunnen worden doorbroken, bijvoorbeeld bij M. incognita onder invloed van warmte of het ontstaan van andere stammen. Ik spreek daarom liever over tolerantie”.

Afgelopen jaren zijn onderstammen voor vruchtgroenten tomaat, paprika en komkommer gescreend op gevoeligheid tegen aaltjes.

In eerste instantie in de proefkas in Bleiswijk. De veel gebruikte onderstam in tomaat Maxifort blijkt relatief gevoelig voor M. incognita. Mogelijk vindt er interactie plaats tussen de onderstam en het geënte ras. Naast de gevoeligheid van de onderstammen kijkt de onderzoeker ook naar de gevoeligheid van het productieras zelf.

Bij komkommer wordt “Harry” veel gebruikt. Dit is een sterk wortelende kliskomkommerachtige, maar lastig te verenten. Uit de testen in de proefkas komen enkele minder gevoelige onderstammen (64-10 en 64-12) tevoorschijn die nu verder in de praktijk worden getoetst. De resultaten hiervan komen dit najaar beschikbaar.
Maar naast de keuze van onderstam blijven teeltmaatregelen die de aaltjesdruk verminderen noodzakelijk. Alleen een combinatie van maatregelen kan ervoor zorgen dat de gewasschade wordt voorkomen.

Klik hier voor het volledige artikel ‘Volledige resistentie tegen alle aaltjes is een utopie’ uit Onder Glas van juni/juli 2009.

Klik hier voor volledige tekst van de brochure 'Biologisch telen doe je in de grond.'

  • Contact informatie: Jan Janse, PPO van Wageningen UR