Nieuws

Huidige fokkerij ook geschikt voor biologische varkenshouderij

Gepubliceerd op
2 oktober 2014

Factoren zoals huisvesting en management hebben een grotere impact op de productie, kwaliteit, levensduur en biggensterfte binnen de varkenshouderij dan fokkerij. De huidige fokkerijlijnen in combinatie met rotatiekruisingen geven voldoende variatie voor een biologische bedrijfsvoering.

Huidige fokkerij ook geschikt voor biologische varkenshouderij

Het project Low Input Breeds heeft als doel door middel van fokkerij binnen melkvee, varkens en pluimvee, een bijdrage te leveren aan het verbeteren van het verduurzamen van de productieomstandigheden. Een van de deelprojecten heeft zich gericht op de varkenshouderij. Hier is onderzoek gedaan naar onder andere het identificeren van geschikte rassen binnen verschillende klimatologische omstandigheden.

Literatuuronderzoek

Uit de literatuur en onderzoeken blijkt dat conventionele rassen geschikt zijn voor het produceren van biologisch varkensvlees in een gematigd klimaat in een gecontroleerde productieomgeving. De slankere, traditionele productieve vleesrassen zijn vooral geschikt voor de productie van varkensvlees. Door deze te kruisen met een conventioneel wit vleesras neemt de magerheid van het vlees aan het karkas toe.

Warmtetolerante zeugen

Het toepassen van rotatiekruisingen is zeer geschikt voor de Nederlandse biologische varkenshouderij. Uit genetische analyses is gebleken dat het fokken van een hittestress tolerante zeugenlijn mogelijk is. Deze zeugen kunnen beter tegen warmte. Op dit moment is er voldoende genetische variatie in warmtetolerantie binnen de bestaande fokkerijlijnen.

Biggensterfte

Er is onderzoek gedaan naar het verminderen van de uitval van biggen tussen geboorte en een gewicht van 25 kilogram. Tijdens dit onderzoek bleek er geen effect te zijn van de eigenschappen van de vader van de  moeder op de sterfte van de zogende biggen. Een biologisch opfoksysteem van de gelten had wel een positief effect op de overleving van de biggen en het sociale gedrag van de gelten. Daarnaast was er aandacht voor het type uitloop en weidegang  in de zoogperiode op de gezondheid en uitval van de biggen na het spenen. De biggen met een stukje weidegang hadden iets sneller speendiarree, maar hadden aan het eind van de opfok een betere gezondheid dan de biggen zonder uitloop.

Meer informatie

Contact

Herman Vermeer, Wageningen UR Livestock Research. Herman.vermeer@wur.nl