Nieuws

Graan voeren onder de eiwitnorm met behoud melkproductie

Gepubliceerd op
5 april 2007

In de praktijk willen biologische melkveehouders wel graan verbouwen en voeren als er maar geen extra (duur) eiwit uit krachtvoer tegenover hoeft te staan. Uit onderzoek blijkt dat dit niet nodig is. In rantsoenen met graan is iets toegeven op de DVE-norm geen probleem. Graan is populair in de biologische melkveehouderij. Graan kan op het eigen bedrijf worden verbouwd en het past goed in een vruchtwisseling met gras(klaver) en snijmais. Met eigen graan kan op krachtvoerkosten bespaard worden en daarmee op de import van grondstoffen.

Sinds 2004 zijn op Praktijkcentrum Aver Heino verschillende voederproeven uitgevoerd waarin de mogelijkheden zijn onderzocht van graan voeren in combinatie met een beperkte eiwitvoorziening.Vervanging van 2 kg krachtvoer door 2 kg triticale bleek geen effect te hebben op voeropname en melkproductie. Wel daalde het ureum gehalte in de melk.

Vanaf 4 kg graan in het rantsoen daalde de drogestofopname en daardoor ook de melkproductie. Bij 6 kg graan in het rantsoen was de daling in drogestofopname bij geplet graan (-1.5 kg ds) duidelijk groter dan bij gemalen graan (-0.5 kg ds). Graan voeren (6 kg) had een positief effect op het eiwitgehalte van de melk bij geplette en gemalen tarwe. De hoge graangiften van 6 kg, aangevuld met 2 kg krachtvoer hebben niet tot verteringsproblemen geleid. Wel was de mest iets dunner.

In 2006 is op Aver Heino gekeken naar de lange termijn effecten van een laag eiwitniveau (10% beneden de DVE-norm) met graan. In de proef werd gemalen tarwe gevoerd om verdringing van krachtvoer door graan zoveel mogelijk te beperken. Voeren onder de DVE-norm zonder productiedaling bleek opnieuw mogelijk. Wel resulteerde een hoge graangift (5 kg) in een ongunstiger vet/eiwitverhouding in de melk. Het ruweiwitgehalte in dit rantsoen was in dit rantsoen slechts 12.8%. De mate van klauwbevangenheid van de koeien is gedurende de 80 dagen in de proef niet duidelijk veranderd. Een lichte mate van klauwbevangenheid (zeer lichte verkleuring van de zool) kwam bij een groot deel van de koeien voor, zowel bij aanvang (75%) als aan het einde van de proef (61%). Bij één koe uit de hoog-graan groep werd aan het eind van de proefperiode ernstige klauwbevangenheid geconstateerd. De vertering van het voer, visueel beoordeeld aan de mest, was bij alle rantsoenen voor verbetering vatbaar; 50-60% van de koeien scoorde een matige vertering.

Meer informatie:

Arie Klop

Marleen Plomp

Open verslag graanproef Aver Heino... (pdf, 228kb)