Nieuws

Door voeding en fokken kwalitatief betere geitenmelk

Gepubliceerd op
11 juni 2009

Het vetgehalte in biologische geitenmelk ligt significant lager dan in gangbare melk. In het kader van het project Biogeit is er gekeken naar mogelijke sturing van de gehaltes via krachtvoedercomponenten en fokkerij. Soja, getoaste soja, zonnebloempitten of oliën van beide producten lijken het meest kansrijk voor de biologische melkgeitenhouderij om via de krachtvoedercomponent het vetgehalte te sturen.

Een groot deel van de biologische geitenmelk (ongeveer 80%) wordt verwerkt tot biologische kaas. Voor die kaas is melk met een bepaald vet- en eiwitgehalte nodig. Sinds 1 januari 2008 moet het voer van biologische geiten bestaan uit 100 % biologische grondstoffen (SKAL, 2009). Door deze maatregel ligt het vetgehalte in de biologische geitenmelk significant lager dan in de gangbare geitenhouderij. Biologische geitenhouders zouden dit graag anders zien.

Analyse van de geitenmelk

De onderzoekers hebben in 2007 en 2008 bij 21 biologische geitenhouders de tankmelk geanalyseerd. Het vetgehalte in biologische geitenmelk blijkt significant lager te liggen dan die in de gangbare geitenmelk. Het verschil in eiwitgehalte tussen beide soorten melk is minimaal. Het vetgehalte blijkt meer te fluctureren dan het eiwitgehalte.

Effect van voeding

Bijna alle vetsupplementen die geiten krijgen, geven een stijging van het vetgehalte in de melk, terwijl het eiwitgehalte veelal onveranderd blijft. Zelfs bijvoeren met ruw eiwit heeft weinig tot geen effect op het eiwitgehalte van de melk.

Olie lijkt een veelbelovend voedingsupplement. Bij het toedienen van vetsupplementen blijkt er interactie te zijn tussen supplement en basisvoeder. Zo geeft hooi als basisvoeder betere resultaten dan maïs als basisvoeder. Nader onderzoek naar interactie is wenselijk.

Bijvoeren met zaden, bonen en koeken laat gevarieerde resultaten zien. Literatuur rept alleen over onderzoek met hele zaden of oliën. De onderzoekers adviseren nader onderzoek te doen naar de invloed van bijvoeren met tussenvormen, zoals geplette en gemalen zaden.

Ook blijkt dat nutriënten waarin de vetten bestendig zijn gemaakt tegen de microbiële afbraak in de pens, een verhoging van de vet- en eiwitgehalten in de geitenmelk geven. Chemisch bestendig gemaakte vetten zijn niet toegestaan in de biologische veehouderij. De vetten in sojabonen, lupine of gerst kunnen biolgisch bestendig worden gemaakt door toasten. Dit gaf bij koeien veelbelovende resultaten. Voor geiten moet het toasten nog worden onderzocht.

Effect van genetica

Fokken op vet- en eiwitgehalten blijkt effect te hebben. DNA-onderzoek zegt iets over de genetische potentie van een dier. Het eiwitgehalte in de geitenmelk wordt bepaald door de caseïne genen. Een hoog eiwitgehalte heeft positieve gevolgen voor het vetgehalte, maar kan negatieve gevolgen hebben op de melkproductie. Ook kan de smaak van geitenkaas worden beïnvloed door een hoog eiwitgehalte.

Omdat het milieu in een biologische geitenhouderij anders is, moet onderzoek bepalen of de biologische geitenhoudes gebruik kunnen maken van de genetische voorsprong van de gangbare geitenhouderij.

Kunstmatige inseminatie (KI) biedt een mogelijkheid om vers en beter genetisch materiaal in te kruisen in de huidige veestapel. Ook biedt de gematigde familieteelt perpectieven. Hierdoor hoeven geen bokken van buiten het bedrijf te komen en blijft inteelt beperkt.

De beste methode om genetische vooruitgang te boeken lijkt het nucleussysteem. Vijf bedrijven werken samen en vormen de nucleus van de genetische vooruitgang in de biologische geitenhouderij. De kosten van de administratie en melkcontroles kunnen deze geitenhouders compenseren met de verkoop van bokken aan de biologische bedrijven buiten de nucleus.

Klik hier voor de samenvattng en het volledige rapport ‘Sturende factoren voor verhoging van vet- en eiwitgehalten in biologische geitenmelk, Een eerste verkenning’.

Kijk ook op www.louisbolk.nl/biogeit.