Nieuws

Bodemmicrobiologie als indicator voor bodemkwaliteit?

Gepubliceerd op
20 februari 2015

Microbiële activiteit speelt een belangrijke rol in veel bodemfuncties. Bacteriën en schimmels breken organisch materiaal af en zorgen voor het vrijmaken en/of binden van nutriënten. Daarnaast verbetert een divers en actief microbieel bodemleven de bodemstructuur en heeft het een rol in de weerbaarheid van de bodem. Het is een uitdaging om een goede (en eenvoudige) methode te vinden om microbiële activiteit in de bodem te meten.

Bodemmicrobiologie als indicator voor bodemkwaliteit
In het CCBT-project (2014-2015) “Effecten van bodembeheer en bemesting op de bodemmicrobiologie – Zoektocht naar een eenvoudige indicator voor bodemkwaliteit” zoeken Inagro, PCG, PPK, pcfruit, Biobedrijfsnetwerken en ILVO naar een goede (en eenvoudige) methode om microbiële activiteit in de bodem te meten en wordt er onderzocht in hoeverre microbiële activiteit een indicator kan zijn voor bodemkwaliteit. Hiervoor worden bodemstalen geanalyseerd met drie verschillende microbiologische bepalingsmethoden. Deze bodemstalen zijn enerzijds afkomstig van bestaande bemestings- en bodembeheerproeven op biopercelen van praktijkcentra en anderzijds van biopercelen bij telers. Naast het analyseren van de bodemmicrobiologie, worden er ook een aantal chemische indicatoren voor de bodemkwaliteit bepaald die mede verklarend kunnen zijn voor vastgestelde verschillen in de bodemmicrobiologie (totale organische koolstof (TOC), heet water extraheerbare koolstof (HWC), pH-KCl, totale stikstof (Ntot)).

Drie microbiologische bepalingsmethoden

De drie microbiologische bepalingsmethoden die in dit project gebruikt worden zijn de RUSCH-test, fosfolipidenvetzuur analyse (PLFAs) en een moleculaire techniek (DGGE).

Met de RUSCH-test wordt het aantal bacteriën in een bodemextract onder de microscoop geteld. De bacteriën worden op twee verschillende manieren uit de bodem geëxtraheerd. Het extractiemiddel van techniek 1 is een fysiologische zoutoplossing, wat het tellen en detecteren van coccen mogelijk maakt (t1). Deze coccen zijn bacteriën die instaan voor de vertering van vers organisch materiaal. Het extractiemiddel van techniek 2 is dezelfde zoutoplossing waaraan suikers worden toegevoegd. Hiermee wordt de afgifte van exudaten door de wortels in de bodem nagebootst wat resulteert in een activering van staafjesvormige, voor de plantengroei nuttige bacteriën. Met deze techniek worden zowel de coccen als de staafjes geteld (t2). Deze link toont een YouTube filmpje met het microscopisch beeld van techniek 2. Hoe groter de verhouding tussen beide tellingen (t2/t1) of hoe groter het verschil tussen beiden (t2-t1), hoe beter de biologische bodemkwaliteit is.

Grote verschillen in testresultaten

PLFA- en RUSCH-testresultaten van het eerste projectjaar (2014) toonden grote verschillen aan tussen de verschillende biologische (proef)percelen, wat verband moet houden met verschillen in perceelshistoriek en bodemtype. Met PLFA werden ook significante verschillen aangetoond tussen bemestings- of bodembeheerregimes (vb. boerderijcompost versus runderdrijfmest, kerende versus niet-kerende bodembewerking). Bovendien werd er een verband gevonden tussen de t2/t1 RUSCH-testwaarde en de bodemchemische parameter Ntot. Ntot is een indicator voor de hoeveelheid organische stof in de bodem. Ook werd een verband gevonden tussen PLFAs en de parameter HWC, die een maat is voor labiele organische stofvormen in de bodem. De DGGE-techniek bleek een minder geschikte methode voor dit project.

Tijdens het tweede projectjaar (2015) zal nagegaan worden of deze vaststellingen worden aangehouden op basis van in hoofdzaak dezelfde proefopzetten en perceelskeuze.

- Helaas, uw cookie-instellingen zijn zodanig dat de Video niet getoond kan worden - pas uw permissie voor cookies aan

Bron: CCBT

Contact